Phil Everly

Phil was de jongste van het duo The Everly Brothers en de man met de hoge tweede stem, die altijd een paar seconden later - kijkend naar de mond van Don - inzette.

Al jong waren The Everlys muzikaal actief. Hun ouders Ike en Margaret vormden een muzikaal duo en hadden een eigen radioprogramma - stukjes daaruit zijn te horen op hun album Roots - eerst met z'n 2-en, maar al snel met 'Little Donnie' en 'Baby Boy Phil'.

Via familievriend Chet Atkins, die een belangrijke rol blijft spelen en op bijna al hun platen speelt, krijgen ze een contract bij Columbia. In 1956 verschijnt hun eerste single - een nummer van Don - Keep A' Lovin' Me. De single flopt en ze worden gedropt door Columbia. Atkins introduceert hen dan bij Wesley Rose, van muziekuitgeverij Acuff-Rose. Als ze bij hem tekenen als songwriters zal hij hen aan een platencontract helpen. Zo komen ze bij Archie Bleyers label Cadence terecht. En ook bij Felice en Boudleaux Bryant als songwriters. Hun eerste opname dateert van februari 1957 Bye Bye Love, een nummer van de Bryants dat al door 30 anderen is geweigerd. The Everly Brothers scoren er echter een gigantische hit mee en behalen er een 2e plaats - ze weten net Elvis Presley niet te passeren - in de Billboard Top 100 mee. Het werd hun eerste millionseller, er zouden er meer volgen. Hun volgende single Wake Up Little Susie - ook weer van The Bryants - wordt wel een nummer 1 hit. Evenals All I Have To Do Is Dream. En met Bird Dog en Problems een 2e. Dat ze niet helemaal afhankelijk zijn van The Bryants blijkt uit het door Don geschreven 'Til I Kissed You, dat een 4e plaats bereikt.

In 1960 tekenen ze voor 10 jaar bij Warner Brothers. Hun eerste single op het label Cathy's Clown - een eigen nummer van Don & Phil - behaalt een 1e plaats en er volgen zo'n 8 miljoen platen van over de toonbank. Andere hits volgen - ook hun oude platenmaatschappij brengt nog succesvolle singles uit van nummers die nog op de plank lagen - So Sad (To Watch Good Love Go Bad) (#7) - van Don - , Walk Right Back (#7) - van Sonny Curtis van The Crickets - Crying In The Rain (#6) - van Howard Greenfield & Carole King - en That's Old Fashioned - van Giant, Baum & Kaye. Wat opvalt is de afwezigheid van The Bryants. Dat heeft te maken met het feit dat The Everlys gebrouilleerd raken met Wesley Rose. Ze willen ook nummers kunnen opnemen van andere songwriters dan die zijn aangesloten bij Acuff-Rose. Wesley Rose weigert dat. Van 1961 tot en met 1964 raken ze dan afgesneden van hun hitleveranciers Boudleaux en Felice Bryant, maar ook van hun eigen nummers, ook hun toekomstige. Daarnaast is Acuff-Rose heel groot, bijna iedere componist binnen hun genre was erbij aangesloten. In feite wordt de populairste en bestverkopende act van dat moment kapotgemaakt. Er rest hen niets anders dan het opnemen van covers. Ze beginnen nummers onder een pseudoniem - Jimmy Howard - te schrijven, maar dat wordt al snel ontdekt en moeten ze alsnog rechten betalen aan Acuff-Rose. The Everlys proberen ook een eigen platenmaatschappij op te zetten, Calliope Records, maar als de eerste single van The Keestone Family Singers - een groep van Phil, Glenn Campbell en Carole King - flopt gaat de platenmaatschappij ter ziele.

In 1964 wordt de relatie met Acuff-Rose herstelt, maar The Everlys hebben al heel veel van hun populariteit - door het ontbreken van goede liedjes - moeten inleveren. Bovendien zijn er The Beatles en The Mersey Beat. The Everlys zijn uit.

In Amerika zullen ze nooit meer echt veel klaarmaken. In tegenstelling tot Europa en met name Engeland, waar ze nog wel hits weten te scoren, zoals That'll Be The Day (UK #30), The Price Of Love (UK #2), I'll Never Get Over You (UK #35) en Love Is Strange (UK #11). In Engeland proberen ze ook aan te sluiten bij de muziek van hun tijd en nemen bijvoorbeeld met The Hollies in 1966 Two Yanks In England op.

In deze periode raken The Everlys ook aan de speed. Vooral Don is er erg aan toe. Don stort zelfs tijdens een optreden in Engeland in 1962 op het podium in, waarop Phil alleen verder moet. Na een zenuwinstorting wordt Don ook opgenomen in het ziekenhuis. Het zou ook een einde maken aan hun succesvolle tournee door Engeland. Overigens wordt naar buiten toe alles stil gehouden over hun verslaving en worden allerlei andere redenen naar buiten gebracht.

In 1968 brengen ze het album Roots, een prachtig countryrock album - waarschijnlijk geïnspireerd door Sweetheart Of The Rodeo van The Byrds - uit
met medewerking van mensen als Randy Newman, Ron Elliott van The Beau Brummels, Van Dyke Parks, James Burton en Jim Gordon.

In 1970 brengt Don een soloalbum uit dat weinig doet. In 1972 brengen ze Stories We Could Tell uit, een mooi album met een keur aan nummers van de belangrijkste singer-songwriters van dat moment. Ook het daarop te verschijnen album Pass The Chicken And Listen mag er wezen, maar de relatie tussen de broers wordt slechter en slechter. Het komt tot een breuk tijdens een optreden in Knott's s Berry Farm in Californië op 14 juli 1973 als Don voorafgaande aan het optreden in een interview heeft gezicht The Everly Brothers zat te zijn. Don is dronken en niet in staat goed te spelen, waarop Phil zijn gitaar kapot slaat en van het podium loopt. Behalve tijdens de begrafenis van hun vader in 1975 zullen ze bijna 10 jaar niet met elkaar praten.

Allebei blijven ze muziek maken. Phil is echter wel succesvoller en actiever dan Don. Zo zingt hij als achtergrondzanger op Roy Woods album Mustard (1976) en op 2 nummers van het album Warren Zevon (1976) van Warren Zevon. Schrijft hij Don't Say You Don't Love Me No More voor Clint Eastwoods film, Every Which Way But Loose (1978), dat hij ook zingt in duet met Sondra Locke. Ook schrijft hij One Too Many Women In Your Life voor de vervolgfilm Any Which Way You Can (en waarbij hij ook in de begeleidingsband speelt van Sondra Locke). In 1979 zingt hij samen met J.D. Souther op diens White Rhythm & Blues.
In 1983 brengt hij een soloalbum Phil Everly uit met Mark Knopfler, Terry Williams en Pete Wingfield. Er worden twee succesvolle singles van getrokken: She Means Nothing To Me, waarin hij een duet zingt met Cliff Richard en dat een plaats in de Engelse Top 10 behaalt en Louise, dat de Top 50 haalt.

Op 23 september 1983 vindt in Engeland een reünie plaats in de Royal Albert Hall onder muzikale directie van Pete Wingfield. De twee broers eindelijk weer bij elkaar. Het wordt uitgezonden op tv en het concert verschijnt op plaat en video. Dat stimuleert de vraag naar hun muziek en er verschijnt in 1984 ook een nieuw album geproduceerd door Dave Edmunds EB'84 met daarop de redelijk succesvolle door Paul McCartney geschreven single On The Wings Of A Nightingale (UK #41, US #50). In 1986 brengen zij hun laatste album Born Yesterday uit. Helaas geen sterke afsluiting.

Sporadisch zullen ze nog van zich laten horen. Zo verzorgen ze de achtergrondvocalen op het titelnummer van Paul Simons album Graceland. In 1990 neemt Phil een duet op met de Nederlandse zanger René Shuman op het nummer On Top Of The World, dat geschreven is door Phil. In 1991 zingt Phil op televisie een duet met Cliff Richard op All I Have To Do Is Dream, dat een Top 20 hit oplevert. In hetzelfde jaar verzorgt Phil ook de achtergrondvocalen op John Prine's You Got Gold. En in 1998 nemen Don & Phil samen het nummer Cold voor Whistle Down The Wind van Jim Steinman en Andrew Lloyd Webber op.
In 2003 en 2004 gaan ze met Simon & Garfunkel mee op hun Old Friends tournee. En Phil zingt ook in 2006 nog op Sweet Little Corrina een duet met Vince Gill.

19 1 39 - 3 1 14